Inmiddels ben ik aan een hoop mechanica bezig: de tandwieloverbrenging van de afstemschaal, het uitlijnen van de afstemcondensator en de afstemknop, het tweede subchassis voor de MF-strip plus eindtrap etc. etc. En dat gaat niet helemaal van een leien dakje.
Ik had een miniatuur-potmetertje uit mijn junkvoorraad geselecteerd om als lager te gaan dienen voor de afstemschaal met bijbehorend tandwiel. Maar toen ik het tandwiel op de potmeteras wilde schuiven, bleek het niet te passen. Uiteraard had ik weer de enige potmeter in de voorraad gekozen met een 1/4" as in plaats van een 6mm as. Dat scheelt 0,35mm maar dat is genoeg om niet te passen. Daarom niet getreurd: ik had bij de Bouwhof een 1/4" boor besteld en die kwam nu goed van pas. Tandwiel met de waterpomptang in de houdgreep genomen en de boor er even doorheen getrokken. En daarna paste hij wel. Maar toen ik het tandwiel ging ronddraaien, bleek er een slingering in te zitten met een uitwijking aan de uiteinden van meer dan 2mm! En dat maakt het tandwiel onbruikbaar. Kennelijk is de boor er schuin doorheen gegaan en nu zit het gat niet meer haaks op het oppervlak. Einde afstemschaal-subproject... Een nieuw tandwiel is onderweg van de firma Conrad, tesamen met nog wat extra asverlengers (kosten 1,41 euri, op de goedkope radiomarkt had ik er 2 euri voor betaald....

) en een paar meter 6-aderig LIYCY kabel van 7mm doorsnee dat straks precies door mijn rubber doorvoertjes past.
In afwachting daarvan stortte ik me op een nieuwe uitdaging, en dat was de LF-uitgangskring. Die ziet er namelijk als volgt uit:

Ik was vooral geintrigeerd door de condensator van 2n (C11A) over de primaire wikkeling van de uitgangstransformator. Mijn redenering was dat deze condensator in combinatie met de zelfinductie van de transformator wel eens een afstemkring zou kunnen vormen, gepiekt op 1kHz, waarmee deze schakeling een extra bijdrage aan de selectiviteit van de relatief brede ontvanger zou kunnen leveren. Maar ja, mijn LC-metertje was niet van plan me te vertellen wat de zelfinductie van de primaire kant van het 220-15V trafootje was wat ik bij
Dikke Gerrit scoorde. Toen ik dat probleem op de laatste verenigingsavond aan de mede-amateurs voorlegde, suggereerde Paul PA3DFR om een weerstand in serie te zetten met de transformator en vervolgens de spanningen over de weerstand en de transformator te meten. Daarmee is immers met de vectorberekening de spanning over de L en dus de zelfinductie uit te rekenen. Dat deed weer een aardige aanslag op mijn weggezakte theoretische kennis, maar ik wilde het toch proberen. Dus knutselde ik onderstaande schakeling in elkaar:

De bekende serieweerstand was 2k2. De gelijkstroomweerstand van de primaire wikkeling bedroeg 900 Ohm, en die kunnen we schematisch voorstellen als in serie geschakeld met de onbekende L. En nu begint het spel. De netspanning was op het moment van meten 226,3V en die werd over de schakeling gezet. Over de weerstand kwam 22,3V te staan, en over de transformator stond 218V. In het totaal dus 240,3V zoals oplettende lezers zullen opmerken. Hoe komt dat? Laten we eens naar de vectoren van stroom en spanning kijken:

Doordat alle componenten in serie staan, is de
stroom door alle componenten in fase. De stroom kan immers niet onderweg ineens van fase verspringen. Dat is een gegeven. Verder is een gegeven dat de stroom door een weerstand en de spanning over die weerstand met elkaar in fase zijn. Een weerstand is immers geen complexe impedantie. Daarentegen is de fasedraaiing tussen stroom en spanning van een spoel 90
o. De resulterende spanning over de trafo,
Ut, is volgens pythagoras de wortel uit de som van de kwadraten van de spanning over weerstand en spoel. De spanning over de weerstand van de trafo is:
U
rt = 226,3 - 22,3 = 204V
Dat maakt de hoek tussen stroom en spanning:
cos
-1 (204 / 218) = 20,65
oDaaruit volgt voor de spanning over de spoel:
U
L = sin(20,65) * 218 = 76,86V
En omdat de stroom door de spoel bekend is, dat is namelijk af te leiden uit de spanning over de 2k2 weerstand:
I = U / R = 22,3 / 2200 = 0,010136A
volgt uit de zelfinductie U = I * 2 * Pi * f * L => L = U / (I * 2 * Pi * f)
Ofwel L = 76,86 / (0,010136 * 2 * Pi * 50) = 24,1H
En dat is nogal wat. Nu eens uitrekenen wat de parallelcapaciteit dan moet worden om deze zelfinductie bij 1kHz in resonantie te krijgen. Daarvoor gebruiken we de formule voor parallelresonantie:
f = 1 / (2 * Pi * SQR(L * C))
Dat betekent voor C:
C = 1 / ((2 * Pi * f)
2 * L) en dat is 1,05nF. Komt aardig in de buurt van de 2nF in het originele ontwerp, dus het zou inderdaad kunnen dat de trafo in resonantie gebracht wordt. Dus een C van 1n over de trafo gezet, en toen eens gekeken of hij wilde resoneren. De scoop werd parallel aan de trafo geplaatst en ik voerde nu via de 2k2 weerstand het uitgangssignaal van de FT857 set toe. Met mijn
kristaltester tegen de antenne van de FT857 stemde ik deze in USB af in de buurt van de kristalfrequentie van 3560kHz. Ik heb nl. geen LF toongenerator en op deze manier kan ik met de set een zwevingstoon maken van ca. 100-3500Hz. Genoeg voor dit experiment. Maar op de scoop was geen spoor van resonantie te zien... Zou ik het dan verkeerd uitgerekend hebben? Tot ik op het heldere idee kwam om de formule voor de kringkwaliteit Q eens los te laten op dit baksel:
Q = R * SQR(C / L) en dat is 900 * SQR(10
-9 * 24,1) = 0,006....
Vergeet resonantie. Het is gewoon een condensator om HF resten uit het signaal te houden. Soms moet je de dingen niet mooier maken dan ze zijn. Dit weeken ga ik verder met het subchassis van de achterzet, dus na het weekend hoop ik een hoop verder te zijn.
Ik kwam er achter dat de twee condensatoren die voor de BFO en de grid-afstemming van de zender gebruikt moeten worden (en die los van aarde opgesteld moeten worden) eveneens over 1/4" assen beschikken. Dus moet ik die twee asverlengers opboren tot 1/4". Maar gezien het resultaat van mijn verminkte tandwiel ga ik Hugo weer lief aankijken of ik zijn kolomboormachine weer even mag gebruiken. Anders is dat eveneens tot mislukken gedoemd. Wordt weer vervolgd...